
Het Koor
Wij zien wat anderen niet willen zien.
Wij fluisteren waar de wind het draagt, tussen heide en duisternis.
Bloed roept om bloed, en wat gezaaid is in ambitie, groeit uit tot ondergang.
Zie hoe de nacht zich sluit rond hen die te hoog grijpen.
Zie hoe de kroon brandt op een hoofd dat haar niet dragen kan.
Wij zingen niet van hoop, maar van waarheid:
dat geen mens ontsnapt aan wat hij zelf ontketent.
Luister… want ons lied is geen waarschuwing meer—
het is een oordeel dat reeds is begonnen.

Lady MACBETH
Ik voel het nog steeds… dat bloed dat niet wijkt. Geen water kan het wegwassen, geen nacht kan het verbergen. Ik was het die hem aanzette, die hem fluisterde dat hij meer kon zijn dan wat het lot hem gaf. Macht—ik proefde het al voordat het de onze was.
Maar nu… nu fluistert het terug. In elke stilte hoor ik wat wij hebben gedaan. Mijn handen beven, al zeg ik dat ik sterk ben. Was ik dat ooit? Of heb ik mezelf alleen maar wijsgemaakt dat ik geen geweten had?
Ga weg, vlek. Ga weg, zeg ik. Waarom blijf je? Waarom kijk je me aan alsof jij de waarheid bent, en ik de leugen?
De kroon weegt zwaar… zwaarder dan schuld.

?
Ik ben niemand van belang, zeggen ze. Een schaduw in de gangen, een stem die wegsterft voordat iemand haar hoort. Maar ik zie alles. Ik zag hoe eer veranderde in honger, en hoe honger veranderde in iets dat geen naam meer heeft.
Ze lopen hier rond als koningen en koninginnen, maar hun ogen verraden hen. Angst. Altijd die angst. Alsof de muren zelf hen beschuldigen.
En ik? Ik blijf stil. Want in een wereld waar macht regeert, is onzichtbaar zijn soms de enige manier om te overleven.
Maar vergis je niet—zelfs een schaduw onthoudt.